Nijverheid:
- Algemeen...
- Vlasnijverheid...
- Blokmakers...
- Linnennijverheid...
- Kantnijverheid...
- Wijmenbewerking...
- Visserij...
- Vogelvangst...
- Vellenbewerking...
Erfgoed:
- De polders...
- Gebinten...
- Hoevetypen...
- Schuurtypen...
- Het erf...
- Kloosterarchitectuur...
- Over boerderijen...
- Gerief en alaam...
- Volksgebruiken...
- Het bouwbedrijf...
![]()
Het erf is gewoonlijk door een haag ingesloten. Deze haag weerhoudt de hoenders en het kleinvee zich van de hof te verwijderen. De levende afsluiting is op spaarzame wijze verkregen, ze vraagt weinig onderhoud. Het zijn dikwijls de zogenaamde "Spaanse hagen".
![]() |
|---|
Deze onderscheiden zich door hun vastheid en hun ineenstrengelende groei van de zogenaamde "boekenhagen", doornhagen of palmhagen.Is het blad van de haag fijn gevormd, dan is het een meisjeshaag, indien grof, een mannekens- of jongenshaag. Vroeger werd in de pachtbrieven bepaald hoe de hagen moesten zijn rondom elk stuk land. Deze omheiningen worden ook "tuinen" genoemd. Benevens de "levende" haag is ook de "dode" haag in gebruik. Deze bestaat gewoonlijk uit een afsluiting met dood hout ofwel uit een sterk vlechtwerk van wilgentakken en eikenhout; deze takken worden eerst gekloofd en daarna in de grond geplant. Een dergelijke afsluiting wordt om de drie jaar vernieuwd.In de streek van Veurne-Ambacht komt het gebruik van in vlechtwerk uitgevoerde omtuiningen nog zeer veel voor, ook in Frans-Vlaanderen. Deze afluiting is oeroud. Is de hofstede omwald, dan wordt gewoonlijk geen omtuining aangebracht.
![]() |
![]() |
![]() |
|---|
De toegang tot het hof vormt een mobiel afsluiting, hetzij deur of hek. Deze
afsluitingen noemt men ook balie, stoephekjes, stoeppalen, hekposten, hekpalen,
uitkijkhekjes enz. Bij oude omwalde hoeven wordt nog een poortgevel ofwel
een poortgebouw in ere gehouden, vaak geflankeerd door krachtige steunberen,
die als een versperring tot ver in het slootwater reiken.Sporadisch wordt
nog een versterkt poortgebouw opgemerkt, voorzien van kantelen en schietgaten.
De ruimte, die boven de doorgang ligt en afgedekt is door een zadeldak, was
vroeger als duivenhok ingericht. Dergelijke duiventorens hadden dikwijls een
effectvolle indruk.
De poortgevels ( een breed muurvlak voorzien van een poortopening met afsluithek)
kunnen wel eens versierd zijn met de wapenschilden van de vroegere bezitters.
Andere poorten bestaan gewoonweg uit twee gemetselde hekpijlers, aan de
bovenzijde verbonden door een geprofileerde grote dwarsbalk, waarop een overkuiving
is aangebracht. Typisch zijn vooral de "stoephekjes", waarover men
heenstappen kan zonder de "barreel" te moeten opendraaien.
De sloopgeest van voorbije eeuwen heeft jammer genoeg talrijke karakteristieke
bakstenen poortgebouwen uit de gotische en renaissancetijd en latere perioden
doen verdwijnen.
Bij het betreden van een neerhof maken we gewoonlijk kennis met de trouwe
waakhond. Vaak huizen deze dieren, die de vreemde bezoekers moeten aankondigen
in een houten hok. Zelden vinden we nog de gemetselde schuilplaatsen, die
uit vroegere tijden dateren, zoals er o.m. in de 13e eeuw in Koksijde heeft
gestaan. Het was een kwartferisch, overkoepeld miniatuur gebouwtje, dat aan
de voorzijde voorzien was van een sierlijk geprofileerde windberg.
Dit gebouwtje behoorde tot de abdij Ter Duinen.
![]() |
![]() |
![]() |
|---|
Soms staat als een voornaam teken van adel een architectonisch verzorgde
duiventoren op het neerhof van de kasteelhoeve of oude heerlijkheid. In de
Middeleeuwen was het houden van duiven een voorrecht. Een gewone man zonder
heerlijkheid of rechtsmacht mocht geen duivenhuis bezitten. Dit recht behoorde
alleen de geestelijkheid en den adel. Het duivenkweken behoorde tot een van
de voornaamste bezigheden van de landedelman. Van de 13e tot de 18e eeuw was
het een belangrijk onderdeel van de voeding. Vroeger maakten de duiven deel
uit van het goed; de pachter moest bij zijn afscheid de duivenkeet zo bevolkt
laten als bij zijn aankomst. Een duifhuis (duivenkot, duiventil) is gewoonlijk
uit baksteen gebouwd. Ook getimmerde, in vakwerk uitgevoerde en met stro afgedekte
duivenhuizen hebben bestaan. Het zijn vrijstaande gebouwtjes, op een stenen
voet opgericht, of in de vorm van een miniatuur-paalspijker. Het in baksteen
opgetrokken Vlaamse duifhuis op rechthoekig grondplan onderscheidt zich op
treffende wijze van de zware, massief ronde duiventoren in Noord-Frankrjk.
Zelden komen in Vlaanderen torens voor op rond, zes- of achthoekig grondplan.
Onze metselaars wisten dikwijls een treffende en schilderachtige oplossing
te vinden voor de bouw van onze duivenketen. De vlak gemetselde torenromp
is aan het bovendeel door een aantal duivengaten onderbroken, die meermalen
een meetkundige versiering vormen. Een op geprofileerde zandstenen consoles
rustende slag legt een schaduwlijn op de gevelzijde, die als hoofd- of voorgevel
van het duivenhuis wordt beschouwd. Het kan ook gebeuren, dat de gevelstenen
jaarcijfers of wapens voorstellen. Langs binnen zijn deze torentjes voorzien
van een draaiende paal met ladders, waarmee de vele nisvormige in de wand
aangebrachte nesten te bereiken zijn. De binnenruimte is afgedekt door een
tussen twee trapgevels ingesloten zadeldak, ofwel door overhoeks in elkaar
gewerkte zadeldaken tussen vier trapgevels, zelden echter door een veelvuldige
spits.
Bakhuis:
Op het erf treffen we dikwijls ook een bakhuis aan,
dat soms volkomen afgezonderd is van de woning en de overige dienstgebouwen.
Zulk een miniatuur gebouwtje kan uit twee delen bestaan: het deegkot en
de eigenlijke oven.Van de 12e eeuw begonnen de boeren private ovens te
plaatsen. Ovenkot, ovenhuis, bakhuis, ovenbuur, ovenboor, bakkete zijn termen
die vroeger in Vlaanderen veel gebruikt werden. Boven de bakoven (bovenoven)
is gewoonlijk een droogplaats; onder de oven (ovenkelder, ovenvout of assekot)
is een kleine ruimte voorbehouden die door een houten geraamte of stoel
ingesloten is. Vuurvaste steek- of kleistenen vormen het kwartferische gewelf
van de ovenholte. De ovenromp wordt gebakken. Gedroogde steekstenen worden
met natte klei tot een gewelfvormig geheel gemetseld. Daarna wordt gedurende
drie dagen gestookt, ten einde de romp tot een vaste massa te bakken, een
werk dat door steenbakkers wordt verricht. Wanneer de oven gemaakt is uit
kleem (kleiaarde) met gehakt stro, dan hebben we een koekoven (van koeken,
kleikoeken = gedroogde en niet gebakken kleistenen)
Een jongere techniek is in gebruik bij de z.g. steenoven. Deze is zo dik
gemaakt, dat de warmte gedurende het bakken van het brood er niet doorheen
kan trekken, waardoor steeds een gelijke temperatuur blijft behouden.
Vroeger bestond de bakoven eenvoudig uit een kleine ovenromp, die gewoonlijk
op een houten onderstel of stoel ruste. Onder de oven lag het assekot. Dit
zijn de open ovens. Ze liggen bloot om na gebruik gemakkelijker af te koelen
en het barsten tegen te gaan. Een schilddakje en een hangend vlechtwerk uit
stro volstaan om de open romp tegen regen te beschermen.
Een gesloten bakhuis is comfortabeler ingericht. Deze bakhuizen kunnen
wel eens groot zijn en met smaak uitgevoerd. Bijzonder decoratief is dan de
gevelpartij, die versierd is met gekleurde bakstenen in kruisvorm, een niskappelletje
ofwel gevelstenen met jaarcijfer. Dergelijke bakhuizen noemt men wijkovens;
hier wordt het brood gebakken voor hen, die over geen eigen oven beschikken.
Een weekoven daarentegen is voor eigen gebruik.
Toegangswegen:
De toegangswegen vanaf de openbare weg tot aan het hof moeten steeds goed
verhard worden. Dit is onontbeerlijk in de winter. Aan beide zijden van
de weg tracht men afleidingsgrachten te voorzien waarin het water van de
weg opgevangen wordt. Deze grachten moeten steeds goed onderhouden blijven.
![]() |
![]() |
|---|
De pomp:
Wanneer geen pomphuis aan de boerenwoning is aangebouwd, staat de pomp
gewoonlijk bij de huisgevel onder een klein afdakje (lessenaarsdakje). Het
toestel verschilt echter van streek tot streek, dit houdt verbandt met het
gemakkelijk of moeilijk te bereiken water. In Oost-Vlaanderen, ten Noordwesten
van Gent, bemerken we het veelvuldig gebruik van het kleine steekpompje,
uit "pomphout" gemaakt; een eiken stam, goed afgerond en doorboord,
wordt tot een pompbuis van ongeveer 50-60 cm bewerkt. In het Waasland, Brabant
en West-Vlaanderen gebruikt men de armpomp. Deze is groter dan de steekpomp,
en voorzien van een hefboom (arm).
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
|---|
Vervolgens is daar nog de karakteristieke steenput, met kettingrol. Een emmer
wordt aan een ketting bevestigd, en door een rol op en neer gelaten. Meestal
zijn deze waterputten door een tentdakje afgedekt of soms geheel afgesloten.
De z.g. putrol met ketting kan ook aan de voorgevel zijn aangebouwd. Dergelijke
waterputten met stenen kuip, zijn in de heuvelachtige gebieden van Vlaanderen
nog veel in gebruik geweest.
Voornamelijk in de heidestreek van het Kempenland werd de oeroude schommelpers
nog lang in ere gehouden. Deze bestaat uit drie delen: de gemetselde kuip
(putkuip, putkeef of kevie), waarvan de borstwering uitmaakt; vervolgens loodrecht
geplaatste paal (stok of putligger), voorzien van een gaffel en een daaraan
bevestigde wip (zwiksie,zwemmer), met ketting en haak. Het verspreidingsgebied
van de schommelpers is eertijds buitengewoon groot geweest. Oude documenten
tonen aan, dat dit toestel vroeger ook in Westelijk Vlaanderen in gebruik
was.Toch moest het vroeger over geheel Noorwestelijk Europa verspreid geweest
zijn.
wordt vervolgd












