Nijverheid:
Erfgoed:
![]()
De dakgebinten zijn meesterwerken en getuigen van een grondige kennis van het hout en zijn bewerkingen door onze timmerlieden. Het gebinte vormt de constructieve basis van de boerderij. Het verschaft de vereiste stevigheid aan het gebouw en het is drager van het dak. Vooral in de boerderijschuren zijn de gebinteconstructies meestal goed zichtbaar.
Bij het bouwen van een
boerderij of agrarisch bijgebouw is er de mogelijkheid om de gebinten in de
langsrichting te plaatsen of, in de dwarsrichting.Bijna alle gebouwen zijn
uitgevoerd met dwarsgebinten. Een gebinte bestaat uit twee verticale stijlen
die door een horizontale gebintebalk met elkaar verbonden zijn.
De diverse gebinten zijn op hun beurt bovenaan aan elkaar gekoppeld door gebinteplaten die haaks op de gebinten staan. Ter versteviging van het geheel worden alle hoeken geschoord door middel van korbelen. De ruimte tussen twee gebinten heet een gebintevlak. Aan het aantal gebintevlakken ontleende de boer een zekere status. Het gebinte bepaalt in hoge mate de hoofdvorm van de boerderij. Een goed in elkaar gezet gebint gaat eeuwenlang mee. Dit bewijzen de nog overgebleven historische boerderijen.
Als het gebinte gericht was werden de wanden tegen of tussen de gebintestijlen aangebracht. Men gebruikte hiervoor materialen uit de directe omgeving waardoor er vlechtwerk met leem, natuur- en baksteen of hout voor de wanden gebruikt werd.
![]() |
![]() |
|---|---|
1. gebintestijl |
A Gebintestijl, staander |
Als men het doek van Peter Paul Rubens 'De verloren zoon' dat hij schilderde in 1617-1619 bekijkt zal men de bouwsels van de gebinten wel eens kunnen tegenkomen in onze nog restende historische boerderijen.
![]() |
|---|
Geschiedenis:
Men denkt dat de schuren hun oorsprong vinden bij de middeleeuwse grote
op zichzelf staande schuren die de kloosters op hun bezittingen hadden opgericht
en die dienden om de rijke oogsten van de uitgestrekte landerijen te bergen.
In de twaalfde en dertiende eeuw begonnen de kloosters zich bezig te houden
met landaanwinning in de ingedijkte gebieden en waren er grote schuurgebouwen
nodig in de nieuwe polders. Gelukkig heeft men nog zo een abdijschuur weten
te bewaren namelijk 'Ter Doest'. De woning steunde op een geraamte van zwaar
hout, het zogenaamde vakwerk. Dit gebinte was door gespecialiseerde timmerlui
vooraf klaargemaakt. Dit gebeurde zonder bouwtekeningen, alleen op basis
van ervaring. De bouwheer had een of twee jaar eerder op de bouwplaats zelf
de plattegrond afgestapt en op de hoeken een stok in de grond gestoken.
Daarmee wist de meester-timmerman voldoende om aan de slag te gaan. Met
een dwarsbijl of dissel hakte hij massieve eikenhouten balken vierkant.
Dat eikenhout was bij voorkeur enkele jaren gewaterd, dit wil zeggen, na
het omhakken van de boom in stromend water gelegd, om later werken en trekken
van het hout tegen te gaan. Eik kan honderden jaren meegaan en wordt met
de jaren hard als beton. Zelfs vuur kan oude (en dus droge) eiken balken
zelden meer dan aan de buitenkant verkolen!
![]() |
![]() |
|---|
Richten van het gebinte:
De onderdelen van een gebinte konden op de bouwplaats gezaagd en op maat
gemaakt worden maar dat kon ook gebeuren in de timmermanswerkplaats. Ze
werden voorzien van merktekens, zogenoemde telmerken, die het weer terug
monteren op de bouwplaats vergemakkelijkte. Het gebruik van telmerken gebeurde
al in de middeleeuwen. Het richten of opzetten van een gebint was zwaar
werk en moest nauwgezet gebeuren. Nadat het, plat liggend, in elkaar gezet
was, werd de zware constructie met behulp van touwen, schoren, hefbomen
en vooral veel mankracht rechtop gezet. Men begon met het gebinte dat het
dichtst bij de achtergevel kwam te staan. Het gebinte werd op poeren (veldkeien
of gemetselde stenen) gezet om verotting van het onderste deel van de gebintestijl
tegen te gaan.De staanders werden eerst gedeeltelijk in de grond ingegraven
om zijwaartse stabiliteit te geven. Nadeel hiervan was dat de stijlen hierdoor
makkelijk konden rotten. Daarom is men de staanders vanaf de 14e eeuw op
keien en later op gemetselde poeren gaan plaatsen.
Ankerbalkgebinte:
De gebintebalk van het ankerbalkgebinte steekt met een versmald gedeelte
door de stijlen heen en is daarachter verankerd met een of twee houten wiggen.
Om de staanders in de lengterichting aan elkaar te verbinden is op de kop
van de staanders de zogenaamde gebinteplaat gelegd. Deze verbinding is eveneens
met hakwerk voorzien van pen-en-gat verbindingen. Het betreft de bovenste
balk op tekening.
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
|---|
Langsgebinte:
Behalve gebinten, die haaks op de lengterichting van de boerderij is het
ook mogelijk om de constructierichting evenwijdig aan de boerderij te houden.
In dat geval wordt gesproken van langsgebinten. Of het langsgebinte de voorloper
is van het ankerbalkgebinte zal onderwerp zijn van verder toekomstig onderzoek.
Waarschijnlijk is dit type gebint in de loop van de vijftiende tot de zeventiende
eeuw vervangen door het ankerbalkgebinte, dat de mogelijk bood om meer opslagruimte
voor de oogst te creƫren.
![]() |
|---|
Dekbalkgebinte:
De gebintebalk van het dekbalkgebinte is opgelegd op de stijlen en daaraan
met pen en gat verbonden.
![]() |
|---|
Tussenbalkgebinte:
Dit gebintetype is te beschouwen als een variant van het ankerbalkgebinte.
De gebintebalk is wel met een pen opgelegd in de stijlen, maar steekt niet
uit aan de andere zijde van de gebintestijl. Een verankering met wiggen
ontbreekt dus.
![]() |
|---|
Kopbalkgebinte:
Evenals het tussenbalkgebinte is ook het kopbalkgebinte een variant van
het ankerbalkgebinte. De voor het uiteinde versmalde gebintebalk is ingelaten
in een sleuf in de kop van de stijl.
![]() |
|---|












