Nijverheid:
- Algemeen...
- Vlasnijverheid...
- Blokmakers...
- Linnennijverheid...
- Kantnijverheid...
- Wijmenbewerking...
- Visserij...
- Vogelvangst...
- Vellenbewerking...
Erfgoed:
![]()
Polderstreek:
Algemeen voor Belgie ligt de polderstreek onmiddelijk achter de duinen
met een breedte van 10-15 km, en doorloopt gans West Vlaanderen en zich
verder in Zeeland, het noorden van Oost Vlaanderen en langs beide oevers
van de Schelde tot in de omstreken van Dendermonde uitstrekt.
Voor ons meer van belang is de polderstreek gelegen in het noordoosten
van het Land van Waas. Het omvat de parochies Doel, Kallo, Kieldrecht, Meerdonk,
Verrebroek en delen van Beveren-Waas, De Klinge, Melsele, Moerbeke-Waas, Sint-Gillis-Waas,
Vrasene en Zwijndrecht. Daarnaast vinden we langs de Durme en de Schelde nog
een smalle strook rivierpolders (meersen).
![]() |
![]() |
|---|
De grond:
Deze is samengesteld uit, grijze, zwartachtige klei, zeer aaneenklevend,
zeer moeilijk om te bewerken en die na de winter of na de regen langdurig
water ophoudt. Bijgevolg droogt de grond langzaam uit zo dat de grondbewerkingen
maar in de late lente kunnen beginnen, en moeilijk of onmogelijk worden
wanneer de eerste herfstregens vallen.
De periode van grondbewerkingen gedurende de lente en de herfst zijn bijgevolg
ingekort.
Aangezien het bewerken van de zware kleigrond reeds moeilijker en
trager vooruitgaat, moest de landbouwer vroeger over meer trekdieren en heden
over meer machines beschikken om de grondbewerking tijdig te kunnen eindigen.
Algemeen worden de beploegingen in de poldergronden altijd voor de winter,
en de andere bewerkingen na de winter uitgevoerd.
De laag polderklei heeft een dikte van 30-40 cm tot 2-3 m dikte. Zij is
kalkachtig door de aanwezigheid van verbrijzelde zeeschelpen, doch houdt maar
weinig ijzer in. Dit is de oorzaak waarom de kareelstenen uit deze klei vervaardigd,
een gele og grijze kleur hebben, i.p.v. de rode kleur van de stenen met ijzerlijke
leem vervaardigd.
![]() |
![]() |
De teelten:
De poldergrond is een van de vruchtbaarste landbouwgronden en geschikt
voor bijna al de voornaamst teelten: tarwe, gerst, haver, paardebonen, suikerbieten,
weiden, klavers, lucerne, vlas, aardappelen, enz.
![]() |
![]() |
Zandstreek:
Hier moeten we een onderscheid maken tussen de lemig-zand- en zandleemzone
en de zandzone.
-Lemig-zand- en zandleemzone:
Dit gebied omvat de parochies Bazel, Burcht, Elversele, Haasdonk, Kruibeke,
Nieuwkerken-Waas, Rupelmonde, Sint-Niklaas, Sint-Pauwels, Steendorp, Temse,
Tielrode en delen van Belsele, Beveren-Waas, Daknam, De Klinge, Eksaarde,
Kemzeke, Lokeren, Melsele, Moerbeke-Waas, Sint-Gillis-Waas, Stekene, Vrasene,
Waasmunster en Zwijndrecht.
-Zandzone:
Deze zone maakt deel uit van een zandgebied dat veel groter is dan de Wase
regio, namelijk zandig Binnen-Vlaanderen dat zich uitstrekt over de arrondissementen
Gent, Dendermonde, Eeklo en Brugge. In de zandzone van het Waasland merken
we stuifzandgebieden en dekzandgebieden. Tot deze zone behoort de parochie
Sinaai en delen van Belsele, Daknam, Eksaarde, Kemzeke, Lokeren, Moerbeke-Waas,
Sint-Gillis-Waas, Stekene en Waasmunster.
De opbrengsten op goede poldergronden bedroegen 1/5 meer dan op zand- en
zandleemgrond en dit met veel minder mest. De poldergrond bestaat uit een
vruchtbare laag leemgrond, die bijna overal op turf rust. De turf ligt dunner
ten zuiden dan ten noorden. In de vallei van de Durme en de Schelde vindt
men doorgaans dezelfde samenstelling; de turflaag heeft soms een dikte van
2 - 3 m. Men weet dat vroeger de turf heel ijverig werd uitgebaat. Men moet
er wel rekening mee houden met wat de eigenschappen van de poldergrond betreft
hier te maken hebben met een grote verscheidenheid.
De grond:
Deze is samengesteld uit oorspronkelijk arme droge zandgronden, die langzaam
verbeterd zijn door het aanhoudend toedienen van meststoffen: stalmest, groen
mesten, straat- en grachtslijk en allerlei dierlijke en plantenafval; ook
door de welverzorgde en intensieve kulturen sedert eeuwen uitgevoerd.
Daar de grond zeer doordringbaar voor lucht en water is, verteren en verdwijnen
de organische bestanddelen vand emest zeer snel; anderzijds worden de scheikundige
meststoffen door het opslorpingsvermogen van de grond weinig opgehouden. Hier
moeten dus kleinere hoeveelheden mest toegediend worden, doch de bemesting
moeten herhaardelijk vernieuwd worden.
Het gebeurt dikwijls dat de bovenste zandlaag maar weing dikte heeft en
op een kleilaag berust. Deze kleilaag houdt het water op en er vormt zich
alduseen ondiepe waterkom, waar het merendeel van de waterputten in de streek
onstaan zijn en die geen al te zuiver water gaven.
Schets van de ontwikkeling der Wase Polder.
Over het onstaan en de ontwikkeling van onze polders blijven nog te veel
verkeerde opvattingen heersen. Het hedendaagse vlakke uitzicht van dit laag
gebied verleidt ons gemakkelijk tot het besluit dat heel de streek geleidelijk
gewonnen werd op het terugtrekkende water en van het hoogland uit, stuk
voor stuk naar het Noorden toe, werd ingedijkt. Wel behoorde deze streek
tot een vloedgebied uit voorhistorische tijden en voorzeker hebben in de
loop der eeuwen meerdere inbraken en vloeden deze gronden verstoord. Toch
is maar eerst tijdens de laatste tien eeuwen onder invloed van verschillende
factoren, de hedendaagse toestand tot ontwikkeling gekomen. De verscheidene
perioden van deze ontwikkeling willen wij nu, in enkele brede lijnen schetsen.
Als Wase polders aanzien wij het landschapsdeel gelegen tussen de Schelde
en het gedeelte van de baan Antwerpen-Brugge van Zwijndrecht tot Stekene.
Wij moeten er tevens op wijzen dat het poldergebied geen vreedzame geleidelijke
ontwikkeling doormaakt als het hoogland, maar zich kenmerkt door een gebroken
ontwikkeling, met opeenvolgende nieuwe toestanden en totaal andere landschapsbeelden.
1. Het groeien van de "wase":
Sinds eeuwen voor onze tijdrekening was de zee uit onze gewesten weggetrokken
en was het algemeen profiel van het landschap gevormd. Alhoewel de grond hier
en daar nog door latere inbraken en vloeden werd verstoord, schijnt dit grondgebied
geen totale omwoeling in onze tijdrekening te hebben gekend. Voor de VIIe
eeuw schijnen evenmin de bewoners merkelijke veranderingen te hebben aangebracht.
Voor deze periode volstaat dan het landschap te beschrijven dat eens onze
polders zal worden. Heel het Waasland is een hellend vlak dat naar het Noord-Oosten
verglijdt in een betrekkelijk regelmatige glooiïng tot aan het Waase gedeelte
van de baan Antwerpen-Brugge. Deze baan ligt op een oude duinketen en verbindt
de dorpen welke op de hoogste punten van deze rand waren onstaan. Deze duinketen
vormt de oever van het oude vloedgebied en blijft nog afgetekend met overnamen
als Reepstraat (St.Gillis), Repeland (Melsele), Reepscote en Reepdorp (Beveren).
Verder naar het Noorden lag nog een kleine duinketen van Klinge naar Kieldrecht
toe en hier en daar lag nog een brok duin als te Kallo of als de lagere smalle
strook van de Donk (Meerdonk-Verrebroek).
Doch eens de grote duinketen over, was de helling gebroken en kwam men
op eens in een merkelijk lager gebied, in een onmetelijk grote kom, de oude
zeeboezem. Nu was deze vlakte de grote van de Wase heuvel werd opgevangen
en in deze laagte zocht het water dan verder een trage weg naar de Schelde;
toen nog een brede doch trage stroom met heel weinig tij, welke heel ver langs
de Oosterschelde de zee moest bereiken. Dit gebied was dan ook dooraderd van
talrijke rivieren welke in de grote delta's de Schelde zochten (o.a. de Verre
en De Kille). In het Westelijk gedeelte vormden zich in de diepten grote meren
waarin veenlagen rijpen terwijl op de landen dichter bij de Schelde en de
riviermondingen gelegen tijdens de hoge waterstanden bezinksel werd afgezet.
Aldus zal in het westelijk deel de bodem door inklinking van de veenlagen
veeleer dalen en werden grote moeren gevormd, terwijl langs de Scheldeoevers
de bodem veeleer zal rijzen en grote schorren werden gerijpt.
De zandige hoogten waren overdekt met bossen, waaronder vooral het grote
Koningswoud dient vermeld, at heel het Noord-Westen van het Waasland bestreek
(Vrasene, Nieuwkerken, St-Niklaas, Kemseke, St-Gillis, De Klinge en Kieldrecht).
Doch eveneens de kleine heuvels van het laaggebied waren met bossen bedekt
als het Loo op de Donkheuvel gelegen en het bos van Kallo. Daarnaast hadden
wij nog een weelderige groei van schaarhout met berken en elzen afgewisseld
met schrale zandige vlakten: de "wilderden" en de "woestijnen".
Zo groeiden honderde jaren de wase: het zompig en woest gebied. Eerst rond
de XIe eeuw ontwaart men hier enig teken van leven. Kieldrecht en Kallo zijn
vissersdorpen, doch hun bewoners weten bij zomertijd de onmetelijke schorren
van Harnesse (Doel), Ketenisse en Aandorp te benutten voor hun vee. De oeverplaatsen
Zwijndrecht, Melsele, Beveren en Vrasene beginnen zich te ontwikkelen als
dorpen langs de grote heirweg, sinds burchttorens ze tegen invallen uit het
noorden beveiligen en de graven van Vlaanderen veel belangstelling tonen voor
dit Wase mark- of grensgebied. Deze dorpen breiden hun kouters en bouwlanden
uit door het uitroeien van bossen en dringen verder het laagland in op zoek
naar veeweiden.
2. Winnende land.
Vanaf de XIIe eeuw groeit hier de bedrijvigheid. Het Koningswoud is het
grote jachtreservaat van de graven van Vlaanderen, waarin regelmatig grootse
jachtpartijen plaats hebben en waarvoor ambtenaren worden aangesteld als de
forestier (Voorhout-Kemzeke), de jager (Lijkvelde-St-Pauwels), de valkeniers
(Hulsterloo-Kieldrecht) en talrijke leenmannen met jachtdienst. De burchtheren
langs de heirweg worden gravemannen en ridders en stichten grote heerlijkheden.
Zij beijveren zich om hun gebied te doen opbrengen en maken van deze streek de best georganiseerde van Vlaanderen. Zo werd de heer van Beveren meester over het gebied van Beveren, Verrebroek, Kallo, Kieldrecht en Doel. Gans dat ontzaglijk woeste gebied behoorde de graven van Vlaanderen en met hun schenkingen wonnen zij zich krijgers en ontginners.
Daarbij lokt dit eenzaam en wilde bosgebied talrijke vrome kluizenaars naar zich toe en zo komt Sint Gerwin naar St-Gillis (Kluize), Boudewijn van Boekel naar Bodelo (Klein Sinaai) en andere naar Hulsterloo (Kieldrecht) en naar Salegem (Vrasene). Geholpen door de graven van Vlaanderen groeien hier een viertal communiteiten van kluizenaars. Naarmate hun aantal toeneemt krijgen zij nieuwe stukken bos, woestijne of moer toegewezen, zodat elke groep in zijn behoeften kan voorzien door een flink deel van deze wilderte te ontginnen.
Het bruikbaar maken van broeklanden en het verder doordringen in de zompige
vlakte stelde als eerste eis het aanleggen van wegen. Ook deze groeien naarmate
men bewoonde of bewerkte plaatsen met elkaar in verbinding wil stellen of
nieuwe plaatsen bereiken. Een weg trekken op het hoog land is niets, maar
doorheen het laag land was het een hele onderneming. Men moest in de lage
gebieden de weg ophopen en vastleggen met boomstammen en rijsthout en bruggen
slaan over waterlopen.
Deze opgehoogde wegen waren de eerste dijken. Zo hebben we een oude weg van Vrasene naar Hulsterloo, waar reeds een bedevaartsoord was ontstaan. Van wanneer hij in de laagte komt heet hij Meerlantse dijk tot op de donkheuvel en naar Verrebroek toe, op de heuvelrug en tot aan het Loo is het de Looweg en wanneer hij weer verder de laagte over moet om Hulsterloo en Kieldrecht te bereiken is hij weer dijk geworden en heet de Zwarte Dijk. De wegen lopen langsheen de rivieren en deze opgehoogde tragels worden ook stilaan dijken. Deze dijken betekenen nog geen verweer tegen vloeden.
De XIIIe eeuw brengt nog verandering. Op bevel van de graaf van Vlaanderen
worden de kluizenarijen opgeheven en de kluizenaars moeten overgaan tot een
gevestigde kloosterorde. Zo wordt Bodelo een abdij van Cisterciënzers, Salegem
en Hulsterloo gaan over naar de Nobertijnen van Drongen en Kluize naar de
St-Pietersabdij van Gent. Deze abdijen krijgen nieuwe gebieden tot geschenk
met daarbij de tienden van heel de lage streek terwijl de bisschop van Doornik
hen eveneens de kerken en de zielzorg der bewoners afstaat. De drie kloosters
in de polderstreek zijn nu maar bijhuizen meer van grote abdijen, tellen dus
weinig kloosterlingen en behoren tot orden welke meer naar studie dan naar
handenarbeid gericht waren.
Zij vervullen een grote rol in de ontginning zonder zelf ontginners te zijn. Zij behouden het algemeen beheer en de leiding voor het regelen van de waterlopen en het bouwen der sluizen en terwijl de heren nog met lijfeigenen werken geven zij hun land in pacht aan vrije boeren, die nu zelf het grootste voordeel uit de ontginning halen. De grote heren maken stilaan eveneens hun lijfeigenen vrij en over heel het poldergebied breiden de dynastieën van de hereboeren zich immer verder uit. De polders beginnen de voorraadschuur van Vlaanderen te worden en ook de rijkdom van abdijen en heren.
Over heel het gebied groeit een warnet van wegen en dijken. De vissers van Kallo en Kieldrecht zijn koene vaarders geworden en voeren hun haring en kabeljauw tot in Mechelen. In de XIVe eeuw en XVe eeuw zal dit alles nog verder uitgebouwd worden en nieuwe takken van bedrijvigheid verschijnen. Ook de moerassige kuilen zitten vol rijkdom en naast de grote moeren liggen honderden kleine verspreid waaruit turf wordt gestoken om brandstof te leveren voor de haarden van de hoeven, abdijen, kastelen en steden, zodat iedere rijke heer of abdij er op aanstuurt een moer onder zijn bezittingen te tellen. Rond de moeren worden kleine kanalen gegraven om de turf met schepen uit het waterland te voeren.
Er groeit een nieuw waternet van gegraven waterwegen, van kleine vlootleden tot grote leden, welke dan weer langs vaarten en kanalen de turf tot Gent zullen voeren (kanaal van Stekene en Moervaart). Andere moeren worden in verbinding gesteld met de grotere rivieren en voeren hun turf langs de Schelde weg. De moeruitbating wordt de grootste bron van welvaart voor deze streek. Wanneer men in het begin van de XVe eeuw de zeedijken van het Noordergebied doet herstellen leggen de grafelijke octrooibrieven uitdrukkelijk dat daarmede de beveiliging van de binnenlandse moeren beoogd werd.
Op de randen van de moeren breidt de bewoning zich uit. Daar komen delvers en vletters (schuitvaarders), eigenaars en kooplieden, ambtenaren en toezichters. Aan de moeren van Casuweele en Tervente groeien nieuwe gehuchten. De oude bewoning van het Loo aan de donk (gen. de Loowegers op de Looweg) verschuift naar de rand van de Turfbanken en de Rodemoer en vormt een nieuw gehucht dat Meerdonk zal heten. Eveneens aan de donk en aan het broek van de rivier de Verre ligt Verrebroek en dit wordt nu een belangrijk centrum van turfuitvoer wordt. In 1374 worden er 450 schipvrachten turf geladen.
Wat later telt het 1400 inwoners, dat is evenveel als nu en toen bijna zoveel als Beveren. In het begin van de XVe eeuw begint men er een toren op te trekken voor een grootse kerk, de machtigste toren van het Waasland. We moeten nog aanstippen dat door het uitdelven van de moer, men aan de grond een ondoordringbare tirflaag had ontnomen, waardoor de mogelijkheid voor latere vruchtbaarheid werd verhoogd maar ook de grond beroofd werd van zijn meest vast bestanddeel.
Daar bleven maar enkele schrale vlekken meer over: nog enkele stukken heide en de wilderten en woestijnen. Daarbuiten werd de hele laagvlakte door de Wase boer veroverd.
3. Kerende tij:
Wij zegden reeds dat de Westerschelde of Honte een heel kalme rivier was,
welke haar trage waters, in een ondiepe bedding over een brede laagvlakte
voortstuwde en toeliet dorpen aan haar oever op te richten (Kallo). Had de
zee zich in vroegere tijden teruggetrokken, het tij zou keren. De Honte was
van de zee gescheiden door een zanddrempel waardoor Walcheren nog met de Vlaamse
Kust was verbonden.
Doch stuk voor stuk wordt de zanddrempel door de zee afgewreten en vanaf de XIIe eeuw dringt het zeewater steeds overvloediger in de Honte, stilaan wordt de Westerschelde een getijstroom en ziet haar waterpeil rijzen. Men moet ook rekening houden met het feit dat de zeespiegel regelmatig verhoogt, ongeveer 1 mm per jaar, wat op eeuwen heel wat betekent. Langs de talrijke rivieren dringt het water uit de Honte steeds dieper het land binnen, en het net van de moerleden brengt het nog dieper. Daarbij wordt de uitlozing van het bovenwater fel bemoeilijkt.
De laagvlakte is werkelijk bedreigd en de strijd tegen het water moet opgenomen worden. In het begin kan men het onheil nog verhelpen met de dijkwegen op te hogen en hier en daar dammen langs de rivieren op te werpen. Het zijn de eerste indijkingen. Wanneer echter in de XIVe eeuw de eilanden tussen Walcheren en Vlaanderen verzwolgen worden dreigt, hier voortdurend gevaar. Het zeewater dringt door tot bij Antwerpen, de Honte wordt een machtige Westerschelde en van getijstroom vloedstroom. Watervloeden en overstromingen volgen elkaar snel op en worden steeds rampspoediger (1321, 1334, 1363, 1367, 1390). Het water dringt door tot aan de voet van de duinenketen. Het oude gerooide bosgebied van Kluize-St-Gillis, Salegem( Vrasene) en heel het moergebied lijden van het water, en de broeklanden van Kallo, Beveren en Melsele geraken overstroomd door de St-Elisabethsvloed van 1404.
De Wase boer dacht niet aan wijken, integendeel. De XVe eeuw zou de eeuw der indijkingen worden. De onmiddellijke omgeving van Kieldrecht was reeds vroeger voldoende beveiligd, doch in 1406 werden de dijken van de ouden polder verstevigd. In 1414 worden de schorren van Melsele, Beveren en Kallo ingedijkt. Van 1431 tot 1448 heel het gebied tussen Kieldrecht, Verrebroek en Kallo. Dan gaat het verder met de St-Annapolder (1514) naar het noorden en in 1531 worden de dijken van 1421 aan Casuweele en Tervente verstevigd zodat enkel Doel door een brede rivier van het vasteland afgesneden als een eiland blijft liggen. In 1567 wordt de reusachtige zeedijk van Doel als een machtige dam tegen de vloeden opgeworpen.
Met deze indijkingen van de XVe en XVIe eeuw onstonden de echte polders,
de afgedamde vlakten met vruchtbaar slib. De oudste, meer binnenlandse dijken
waren op de oude opgetrokken en waren niet zo vast ineengesloten, doch de
nieuwe zeedijken in de tragische strijd tegen geweldige vloeden opgebouwd
waren machtige kunstwerken. Een buitengewone springvloed, welke zich tot in
Gent liet voelen, de allerheiligenvloed van 1570, zal dit werk van eeuwen
vernietigen. Door het doorbreken van de dijken bij Saaftinge, lopen al de
lage landen van het Waasland onder water, van aan de Schelde tot aan Vrasene.
De lichte binnendijken en de moerdijken worden weggeslagen en de vloed zal
zich vooral een weg banen door de moeren. Hier en daar bleven nog dijken en
hogergelegen landen gespaard, als de polder van Doel wiens dijken het niet
begeven hadden.
Men poogde onmiddellijk de ramp te herstellen, doch wat de vloed gespaard, zou in de volgende jaren de oorlog vernietigen. Tijdens de Nederlandse oorlog van 1575 tot 1609 worden, vooral in de strijd om Antwerpen, door de legers al de nog rechtstaande scheldedijken één voor één doorgestoken en legervloten als deze van Alexander Farnése zullen door de polders varen, gans de polderstreek was een zee geworden en haar bevolking was naar het hoogland uitgeweken. Kieldrecht zal gedurende 100 jaar voor het grootste deel onbewoonbaar blijven en 250 jaar zullen verlopen vooraleer de ramp zal hersteld zijn. Vanaf de eerste tekens van de vrede aan de kim rijzen, wordt het herstel krachtdadig aangevat.
De jaren vloed hadden alle binnendijken weggevaagd en doorheen het overstroomde gebied nieuwe watergeulen getrokken, welke in vele vertakkingen middendoor de poldervlakte liepen en langs het Saaftingergat in het noorden en langs het gat van de Perel te Kallo in het oosten, met de schelde in verbinding stonden. Daar de grote zeedijken langs de Schelde het best stand hebben gehouden en de oeverpolders als jongst bedijkte het hoogst lagen, zal men door een verder naar mekaar opschuiven van de dijken en polders van buiten naar binnen, het water tot een smallere geul verdringen en het van de stroom afdammen.
In 1614 worden de dijken van Doel hersteld, men legt er een haven aan en sticht een dorp. Melselepolder en Beverenpolder worden herwonnen in 1619 met het opbouwen van een zware dijk naar het noorden. In het westen vertrekt men van de oever van het hoogland en achtereenvolgens herdijkt men de polders van St-Anna, Ketenisse en Kallo waardoor de uitmonding in de Schelde bij de Perel gesloten wordt.
Dan volgt de uitdrijving van het water naar het noorden toe
met de indijkingen van Vredepolder of Konings Kieldrechtpolder in 1653, Oud
Arenbergpolder in 1688. Zo was heel het laaggebied terug herwonnen en sterven
de laatste overblijfselen van de vloeden in de Grote Guile of St-Jacobsgat
en in de Guile van Kieldrecht. Doch nu is heel de laagvlakte polderland omdat
de overstroming in die lange tijdruimten een dikke laag bezinksel heeft achtergelaten
en ook de moeren, de heiden, de wilderten en woestinen tot vruchtbaar land
heeft omgeschapen.
De Wase polders zoals wij ze nu kennen, hebben hun uitzicht en vruchtbaarheid
in de XVIIe eeuw gekregen en hebben sindsdien geen merkelijke veranderingen
meer ondergaan.
J. De Wilde
Natuurlijk is nu met de opkomende industrie dit beeld opnieuw niet meer
geldig.
wordt vervolgd





