Nijverheid:
- Algemeen...
- Vlasnijverheid...
- Blokmakers...
- Linnennijverheid...
- Kantnijverheid...
- Wijmenbewerking...
- Visserij...
- Vogelvangst...
- Vellenbewerking...
Erfgoed:
- De polders...
- Gebinten...
- Hoevetypen...
- Schuurtypen...
- Het erf...
- Kloosterarchitectuur...
- Over boerderijen...
- Gerief en alaam...
- Volksgebruiken...
- Het bouwbedrijf...
![]()
Het vlas werd meer dan eens de rijkdom van Vlaanderen genoemd. Schwerz verwijst op het bijzonder belang van het vlas voor het Waasland "De Waaslander zoekt niet de teelt van deze edele plant in een ellendige landbebouwing waar te nemen, maar zoekt veeleer de landbebouwing tot deze teelt te verheffen". Ongetwijfeld is de vlasteelt het hoofdmiddel bij hem om zijn grond te veredelen: immers welk ander product had hem de moeite kunnen vergelden, die hij op zijn lichten grond aanwendt? Welk product had aan zijn bedrijf de nieuwe nijverheid verschaft, waardoor hij werd in staat gesteld, de landbouw hoger op te voeren. Het was dus de vrucht, die goed aangepast aan de grond, een uitzonderlijk winst opbracht, voor de landbouwer en voornamelijk, dit is hetgeen het behandelde hoofdstuk meest aanbelangt: Het riep een echte landelijke nijverheid in het leven, die de steun zou zijn der kleine landbouwers en landarbeiders. Geen voortbrengsel, doorloopt zovele verschillende handen, en verschaft hierdoor aan duizenderlei huisgezinnen hun primaire levensbehoeften, en dit voorwerp voor de handel bij uitsluiting nationaal is de oorzaak van de vereiste werkzaamheden tot het voorbereiden van de grond, zaaien, wieden, uittrekken, repen, rooten, drogen, boten of boken, zwingelen, hekelen, spinnen, weven en bleken. De twee laatste bewerkingen hebben minder belang op de landbouw.
![]() |
![]() |
![]() |
|---|
Op het belang van de vlasbewerking voor kleinere in het begin van de XIXe
eeuw wees De Lichtervelde in 1815:
De middelen die de fabrieken bieden, zorgen voor werk voor de dorpelingen.
Zij draaien op volle toeren en geven werk aan veel arme werklieden die anders
in armoede zouden leven. Zij verdienen genoeg om in de meeste levensnoodzakelijke
middelen te voorzien. Deze manier van bestaan is een enorm voordeel. Ten slotte:
voor de verdeling van de boerderijen hebben de boeren minder voorsprong nodig.
De dorpelingen kunnen hopen dat zij zelf ooit hun activiteit kunnen verdubbelen.
Een boerderij, gelegen op polder- en zandgrond, kan per jaar voor meer dan
30 personen werk zorgen als de boer al zijn vlas en stof omzet. Wij hebben
berekend dat - zij minimum 5 dagloners werk verschaft. Voeg hierbij "morgeks" 215
roedes land bebouwd met las. Vanaf het moment dat men vlas rooit tot het moment
van linnenomzet, zijn er 5430 werkdagen en minstens 25 tot 26 personen nodig.
De vlasnijverheid in het Land van Waas:
Wij beschouwen hier afzonderlijk al het werk, dat het vlas meebrengt en
al is het niet uitsluitend toch is het hoofdzakelijk nijverheidswerk, ja,
een uitmuntend landelijke nijverheid als krachtige steun voor de landbouw.
![]() |
![]() |
![]() |
|---|
Landbewerking:
Het vlas wil in een diepe vochtige, goed bemeste en bewerkte grond opgevat
worden. Vooral in het voorjaar, daar het vlaszaad een niet te grote vochtigheid
verdraagt, bewerkt men het land met de eg of de rol. Men zaait en men egt,
men maakt de grond dicht met de rol, om het zaad goed te dekken, het de
nodige vochtigheid te verschaffen en ook om de schade van late vorst te
vermijden. Nu rust het land 4 à 6 weken tot het wieden begint, als het vlas
3 à 4 cm hoog is, het wieden is de langdurigste en kostbaarste arbeid die
men op het veld te verrichten heeft; de arbeid, die de vlascultuur voor
vele streken ongetwijfeld onredelijk maakt. De onkosten, die voor de vlascultuur
nodig zijn, schrijft Schwerz, zijn heel belanrijk. De arbeid, die aan het
bestendig wieden moet worden opgeofferd, neemt bijna geen einde. Het zijn
vooral de vrouwen en kinderen, die voor het wieden zorgen, en deze arbeid
wordt tot 2 en 3 maal herhaald.
Van Albrouck schrijft daarover: Als de Vlaamse vrouwen plezier hebben in
dit werk, geloof ik dat ze op een aangename manier in de levensbehoeften kunnen
voorzien. Dit plezier uit zich in liederen en vermaak bij de boeren. Maar
er wordt gevreesd dat dit plezier omslaat als men het dreigende ongeluk niet
voorkomt. Dit werk wordt nu in taakloon verricht, en wordt te Stekene b.v.
2 fr per dag betaald. In de Zeelandse polders gaan de Stekenaren ook wieden
en winnen er per dag 15 tot 18 stuivers, zelfs tot 1 gulden. In de jaren 1878
betaalde men 12 tot 15 centiemen per uur.
![]() |
![]() |
![]() |
|---|
In 1822 schatte von Grouner de kosten van het wieden op 27 flor. per Ha:
in 1878 schat De Laveleye die op 60 à 300 fr per Ha, volgens de zuiverheid
van het land. Frost schat die kosten enkel op 60 fr wat wel bewijst, dat er
minder gewied wordt, hetgeen heel natuurlijk schijnt, vermits het vlas veel
minder de boer loont.
Het vlas wordt nog groen verkocht; soms aan handelaren, om naar de Leiestreek
overgebracht te worden, maar meestal aan kleine landbouwers, die het verder
bewerken en aan kooplieden voort verkopen. Vroeger bracht men het naar de
markt. In 1803 schat Schwerz de opbrengst van 700 à 800 fr per Ha als een
hoge prijs; von Grouner schat in 1822 de prijs van groen vlas op 8 tot 11
stuivers per roede, hetzij op zijn hoogst 550 - 600 fr per Ha. Toen was de
toestand dus reeds minder rooskleurig. In 1878 rekent De Laveleye de prijs
op 1,50 tot 2 fr de roede, hetzij 1350 fr per Ha. Dit waren de gouden jaren
in de XIXe eeuw. Nu gaat het van 500 fr tot 800 fr (1943).
Dikwijls gebeurt het, dat de kleine landbouwers vlas telen en het zelf
bewerken. Vroeger was dit een algemeen gebruik.
De eigenlijke vlasnijverheid:
De kleine of grote boer heeft vals ingekocht of eigen vlas geoogst, dat
hij aan het bewerken gaat. Hij slijt het vlas, legt het te water, droogt en
hekelt het, om het dan te verkopen. Na het slijten van het vlas wordt onmiddellijk
het zaad afgetrokken. In het Waasland noemt men dat repen (Nederland repelen).
Dat vraagt veel handwerk. Ziehier hoe de zaak gebeurt. Twee werklieden zetten
zich te paard op een bank, elk op een uiteinde, maar het gezicht naar elkaar
gericht. Tussen hun beiden is een soort kam, waar zij overhand vlas als een
haarklis in neerslaan en er vervolgens doorrukken. Het vlas komt door de tanden
en het zaad valt op de grond. Dit zaad wordt gedroogd in de zon en aan de
olieslagerijen verkocht. Het vlas brengt men tot aan de rootput. Heel de vervoerdienst
tot op het ogenblik, dat het vlas in de schuur zal komen, valt ten laste van
de verkoper. Dit schijnt enigzins het karakter te dragen van de "paardedienst",
die door de groten boer aan de kleine verleend wordt. Vroeger immers waren
het vooral kleine boeren, die zich met deze nijverheid bezighielden.
Het roten wordt in het Waasland in rooiputten gedaan. Men weet, dat het
vlas kan geroot worden in de rivier, in de dauw, in een beek en ook in putten
lijk in het Waasland. Die "rostgruben" in Vlaanderen putten genaamd,
zijn meestal kleine waterputten, ongeveer 3m lang en breed en, 75cm tot 100cm
diep, lijk men soms nog in de velden aantreft. Vaak liggen ook drie, vier
putten aan elkaar en zijn met elkaar verbonden door kleine sluizen.
![]() |
![]() |
![]() |
|---|
De aard van de grond, waarin de put ligt, heeft een grote invloed op het
roten. Men verwerkt er dan ook maar kleine en weinig belangrijke hoeveelheden;
in grote en zelfstandige ondernemingen wordt het roten in putten nergens toegepast.
Werkwijze van het roten:
Men bindt het vlas in bundels van 16 à 20 cm diameter. Twee werklieden
staan in het water; men rijkt hun de bussels toe, die zij dicht tegen elkaar
in het water leggen tot de hele put vol ligt. Men bedekt dan al het vals met
graszoden, opdat het goed onder water zal blijven, zonder nochtans op de grond
gedrukt te worden, want het moet eigenlijk drijven. Na 8 tot 10 dagen kan men
het vlas uit het water halen. Een werkman treedt daartoe weer in de put, dit
was geen zeer aangename arbeid, in het water, dat er erg uitziet en nog erger
stinkt. Men neemt een voor een de bussels, spoelt die uit en worden in kleine
pakjes rechtgezet aan de kant van de put, zodat het water er kan uitvloeien.
Na twee dagen vervoert men het vlas naar een stoppelakker of een weide waarop
het in een dunne laag wordt uitgespreid, nu en dan eens gekeerd of gestuit.
3 of 6 weken blijft het daar liggen, tot het eindelijk naar de schuur wordt
overgebracht. De winter breekt weldra aan en dan is het een uitmuntend werk
voor de kleine mensen. We vermelden ook nog dat het putroten het blauw vlas
oplevert. Het vlas dat in putten wordt geroot levert het zachtste, het lenigste
en "seidenweichsten" zwingelvlas, hoedanigheden die het vlas uit
de omstreken van Lokeren befaamd gemaakt hebben.
Al het weefsel, uit dit vlas gewonnen, wordt gemakkelijk gebleekt zo ten
minste het rootwater goed was. Men spint het gemakkelijk, maar het is minder
sterk dan het vlas, in stromend water geroot.
Het winterwerk:
Dit is de eigenlijke vlasbewerking, namelijk het breken, het zwingelen
en het opmaken van het vlas. Het roten had tot doel door een kortstondige
rotting de vezels van elkaar los te maken; door de verdere bewerking moet
men het vlasstro verwijderen van de sterke vezels, die later zullen versponnen
worden. Daartoe breekt men eerst de stengels, opdat onder het slaan van de
zwingelmolen de stengel niet in stukken zal vallen, maar integendeel het gebroken
stro uit de sterke vezels wordt gejaagd. Vroeger geschiedde het breken met
een hamer, "bookhamer" genaamd.
Daarna komt het zwingelen: een der moeilijkste en bij uitnemendheid een
der meest individuele werken, het is te zeggen, een arbeid, waarbij alles
van de persoonlijke handigheid van de arbeider afhangt. Het zwingelen heeft
een beslissende invloed op de hoedanigheid van het vlas. Vroeger gebeurde
dit met de zwingelstok lijk von Grouner het vertaalt: Men zwingelt het eerst
met de korte zwingelstok, daartoe keert men het vlas naar alle zijden en schudt
men het onophoudelijk uit. Zodat op die wijze b.v. het einde aan de wortels
gezwingeld is, dan neemt de zwingelaar dit einde in de hand en onderwerpt
het andere einde aan de bewerking van de zwingelstok. Na de eerste bewerking
met de korte zwingelstok wordt een langere aangewend. Dit zwingelen onder
een gedurig wenden, keren en uitschudden wordt tot op een zekere graad doorgevoerd,
en het vlas wordt dan aan een tweede persoon overhandigd. Deze persoon is
ook gewapend met een zwingelstok, met een ijzeren staaf in een houten handvat
bevestigd, die niet scherp, maar ook niet stomp mag zijn, en eindelijk met
een houten kam, ongeveer in de vorm van de paardekam. Deze persoon behandelt
het reeds eenmaal gezwingelde vlas nogmaals met de zwingelstok, zwingelt het,
neemt het dikwijls van de zwingelstok af, spreidt het uit op zijn schoot en
strijkt de nog onvoldoende verwijderde vezels hard met de genoemde ijzeren
staaf, zwingelt het opnieuw aan de zwingelstok, neemt het weer om het met
de beschreven kam te kammen en zet die bewerking met gedurig wenden en omkeren
zo lang verder, tot hij denkt dat deze arbeid niet vermag een verdere
afscheiding en zuivering der vlasvezels op te leveren. Al deze bewerkingen
moeten nochtans met een grote achtzaamheid worden verricht, opdat nooit het
einde van de wortel met de boveneinden vermengd wordt. Mocht dit gebeuren,
dan werd het vlas onbruikbaar voor fijn gesponnen garen. Men kan gemakkelijk
raden welk een arbeid vroeger door die bewerking werd gevraagd en ook welke
vaardigheid men moest aan de dag leggen. De Laveleye beschrijft nog die bewerking
maar spreekt reeds van de grote verspreiding van de zwingelmolens.
Men schreef nochtans aan de zwingelmolen het feit toe, dat het Wase vlas
aan hoedanigheid verloor, en het was daardoor dat vroeger de zwingelmolen
niet door de boeren werd aangenomen. Een goede werkman kan met de hand 10
pond vlas (4,5 kg) uitsplitten: omdat 4 man slechts 50 kg met de zwingelmolen
uitsplitten. En is dus slechts 1/4 van de kosten. En als men er rekening mee
houdt dat het splitten met de molen vlugger gaat en minder moeite kost en
minder verlies, kan men besluiten dat beide methodes weinig verschillen. Ik
gebruik deze molens niet en veel telers delen dezelfde mening. Wij kiezen
voor het handwerk en gebruiken mannen die werk komen vragen. Die vindt men
in grote getale in Vlaanderen. Ik heb gemerkt dat op de markt het vlas, dat
met de hand werd uitgesplit, meer opbrengt. (Van Albroeck)
Het vlas wordt door de kleine landbouwwerklieden gezwingeld verkocht. In
1829 was de gemiddelde prijs 3 fr per steen
(3 kg), gevonden gemeente archief Beveren. Bij Van den Bogaerde, 4 jaar
vroeger gold het ongeveer 4,80 fr en onder het Frans bewind stond het nog
hoger. De jaren '30 (XIXe eeuw) waren slechte jaren voor onze vlasbewerkers,
maar langzamerhand herleefde de vlasnijverheid om in de jaren 1860-70 tot
een buitengewone hoogte te stijgen. Voor het einde van de voorspoedige jaren
'70 vindt men in het boek van De Laveleye prijzen opgegeven van 5 fr to 6,30
fr per steen (3kg). Vroeger bleef nog het vlas op de boerderij om gehekeld
te worden (gekamd), dit was vooral vrouwenwerk, met het spinnen. In het Waasland
spon men echter niet voor de handel maar voor het eigen gebruik. In een brief
van 31 oktober 1829 vinden wij 11 cents als het loon van 't hekelen van 1
steen vlas aangegeven (gemeentelijk archief van Beveren). Het spinnen betaalde
15 cents. Het is wel te begrijpen hoe het vlas vroeger de rijkdom van Vlaanderen
uitmaakte, en hoe terzelfdetijd de belangen van het Waasland in strijd waren
met die van andere Vlaamse weversgewesten. De uitvoer van het vlas bracht
de rijkdom in het Waasland, maar juist door dat hij hoge prijzen bracht, hetgeen
de ondergang was van de Vlaamse wevers. In het begin van de XIXe eeuw, namelijk
1801, toen de linnenweverij buitengemeen goed loonde, stemden de beide belangen
overeen, omdat de Vlaamse weverij goed het vlas loonde. Weldra concurreerde
de Engelse wever met de Vlaamse, en hij betaalde het Vlaamse vlas beter, zodat
het Waasland voor de vlashandel vooral op Engeland was aangewezen. In 1825
schreef Van den Bogaerde dat 3/4 van het vlas naar Engeland werd gestuurd,
daarna kwam Frankrijk.
Stilaan begonnen de Russische vlaslanden te mededingen; zij verdreven ons
vlas van de vreemde markten en later van de Vlaamse markten. In 1838 voerde
Belgie 9.459.056 kg vlas uit, in 1847 enkel nog 5.570.792 kg. Deze terugval
treft enkel de landbouw; zij kan gedeeltelijk afhangen van de oogst maar wordt
ook veroorzaakt door het Russisch, Duits en Nederlands vlas in de weverijen
in het buitenland, die zich vroeger bij ons kwamen bevoorraden. Weldra zou
het vreemd vlas het onze in Vlaanderen verdringen: in 1837 bracht men 492.242
kg vlas in, en in 1849, 1.076.548 kg. Het vlas zou nog, dank zij bijzondere
omstandigheden, vooral de Krimoorlog, wel is waar tot een hogere prijs stijgen,
maar nooit zou men nog beleven de zekerheid en vastheid van vroeger. Rusland
vooral Nederland maken dit onmogelijk.
Zo werd de schone Vlaamse vlasteelt en de zo heilzame Vlaamse vlasnijverheid te dood gedoemd. Zeker nog wordt er vlas geteeld en bewerkt, maar veel minder. Soms komen er goede jaren, maar zij zijn zo onzeker. Het vlas anderzijds kan veel lijden van het weder, zodat de boer in de duurte van het vlas doorgaans geen vergoeding vindt der talrijke risico's die met de vlasteelt gepaard gaan. Het is vooral die onzekerheid die de vlasteelt weerhoudt.
De vlasteelt buiten het Land van Waas:
Wij zagen in de vlascultuur en nijverheid gedurig de kleine landbouwers
optreden. Vroeger pasten zij een eigenaardig middel toe om zich vlas aan
te schaffen. Zij gingen namelijk in de Hollandse Polders vlas telen om het
te bewerken. De meesten , schrijft Schwerz, gaan daarenboven nog 5 à 6 uren
ver van huis in het vroegere Hollandse Vlaanderen, om er vlas te zaaien.
De voorwaarden van deze zonderlinge handel zijn de volgende: De Hollander
verhuurt hun een gemet land aan 60-70 florijnen, mest het en bewerkt het
op behoorlijke wijze; hij laat aan de pachter de dag weten, waarop alles
gereed is om te zaaien. De Vlaming loopt nu 5 à 6 uren verre, en zaait het
vlaszaad, dat hij zelf meebrengt. Enige weken later loopt hij weer zo ver
om het te wieden. Een derde keer legt hij eindelijk die weg af om te slijten,
en laat die niet geringe last vers ingeoogst vlas op zijn kosten naar huis
brengen. Daar zal hij het vlas roten, booten, zwingelen, kammen en spinnen.
Om goed met de zaak uit te vallen moet de verzending en alle arbeid aan het
groen vlas vergoed worden alleen door het gewonnen zaad; de overige arbeid
met de pachtprijs wordt hem dan voldoende betaald door het vlas. Staat het
vlas, op de akker gewassen, de pachter niet aan, zo kan hij, indien de verhuurder
geen vermindering van de pachtprijs wil toestaan, van zijn koop afzien,
maar dan komt het vlas de verhuurder toe zonder vergoeding van zaad of wiedkosten.
Soms wordt de overeenkomst zonder voorwaarden gesloten en de pachter blijft
in elk geval door het contract gebonden. Zo haast het vlas wordt weggehaald,
moet het geld aan de Hollander worden uitbetaald. Het is ongelooflijk, hoeveel
vlas jaarlijks op die wijze in de Hollandse polders geteeld, en door de ijverigen
Vlaming bewerkt wordt. Nochtans dient aangestipt, dat het vlas op deze vetten
grond gewonnen, de hoedanigheid niet heeft van inlands vlas. Ook op de rechteroever
van de Schelde in de streek tussen Antwerpen en Mechelen, komen de Waaslanders
vlas uitzaaien. Later vindt men daar schier geen sporen meer van, minstens
niet in de eerste vorm. De vlashandelaars namen de zaken in handen, de boer
verkoopt aan hun. De kleine mensen uit het Noorden van het Waasland gaan
als dagloners het werk verrichten. De risico's zijn te groot, en de prijzen
van het vlas kunnen die niet meer vergoeden.
| Voorbereiding van de grond | Vlasoogst |
|---|---|
![]() |
![]() |













