![]()
Brood, erwten en bonen waren de grondstof van het voedsel
van onze voorouders.
Met de melk van de landbouwer erbij heeft men de toestand
van de achttiende eeuw.
In deze eeuw kwam de aardappel hoe langer hoe meer
als voedingsmiddel in Vlaanderen op. De introductie verliep moeilijk en werd
eerst alleen in de lagere standen gebruikt.
De aardappelen werden in het begin
van de achttiende eeuw niet toegelaten aan de burgertafels; althans niet in
de vorm als tegenwoordig vermits men ze verwerkte tot meel en brood. Bij de
boeren was dit zeker niet het geval, de aardappel is een onschatbaar aardgewas
en even noodzakelijk als granen en wordt door de landlieden tot driemaal
daags gebruikt bij het eten.
De vrucht heeft bonen en erwten vervangen welke
eertijds onder deze volksklasse als een must werd aanzien. De verspreiding
van de aardappel heeft in die tijd een hele ommekeer teweeg gebracht.
Een boer vertelde dat er vroeger nooit gebeden werd voor de pap omdat ze
die zelf maakten. Alleen na de pap bad men voor de aardappelen. Aardappelen,
pap en roggebrood met varkensvlees tijdens de goede tijd waren de enige spijzen
die op de boerentafel verschenen. Varkensvlees at men op de meeste boerdeijen
alleen met Pasen tot Allerheiligen. Een varken werd daartoe gehouden. Ook
gold de spreuk "een varken is een almanak; goed of slecht ge moet uw
jaar daarmee uitdoen".
De polderboeren eten meer spek en varkensvlees, vroeger aten ze meer bonen.
Men heeft in deze periode dezelfde voedingsstoffen als vroeger, alleen is
hier bij de boeren de opkomst van het tarwebrood merkbaar.
Een verhaal dat een boer van 50 jaar vertelde was als volgt: Toen hij klein
was kreeg men alleen 's zondags een snee wit brood, vader en moeder namen twee.
Nu wordt tarwebrood algemeen gebruikt in plaats van roggebrood. Wat er nog
in deze tijd veranderd was is het veelvuldig gebruik van vlees, haring, kaas,
eieren, spek enz...
In de drukste tijd aten de landlieden vier of meer algemeen vijf keren
per dag; in de winter 4 maal, bij uitzondering driemaal per dag. Rond 1913
gebruikt men op "Den Hoogen", in de zomer, 's morgens rond vier
à vijf uur brood en spek met een soort koffie dat eigenlijk meer chicrei
dan koffie was. Vroeger was het roggebrood met een kom zoetmelk waarin saliebladeren
te week lagen.Rond acht uur: smouterhammen en koffie dikwijls met spek. Rond
twaalf uur: pap van karnemelk, met rijstmeel,en rijst of brood. Daarna aardappelen,
gewoonlijk zonder vlees.