Nijverheid:
Erfgoed:
![]()
Voor de inwoners van Beveren en omstreken heeft het kasteel Singelberg een grote betekenis, dit getuigen de vele verhalen die daarover de ronde doen. Het legendarische kasteel blijft zijn mystieke aantrekkingskracht behouden, ook blijft van de site enkel een grote hoop zand over. Hier werd op 17 augustus 1585 het "Verdrag van Reconciliatie" ondertekend tussen de toenmalige burgemeester van Antwerpen Marnix van St-Aldegonde en Alexander Farnese, landvoogd en opperbevelhebber van de Spaanse troepen in de Nederlanden, waardoor Antwerpen terug onder Spaans toezicht kwam. Nochtans heeft de burcht niet lang van haar vermaardheid kunnen genieten want al in 1652 werd ze afgebroken.
![]() |
![]() |
![]() |
|---|
Oorsprong van de "motte" Singelberg:
De middeleeuwse kastelen evolueerden slechts in een tweede fase naar de
vorm van een kasteel. Om dit te begrijpen dient men een
kasteel als de versterkte, private residentie van de adel voor ogen
te houden. Men moet er rekening mee houden dat de structuur van de maatschappij
in de Middeleeuwen veranderde, wat duidelijk zijn weerslag had op de bouw
van versterkingen en kastelen. In de prefeodale periode waren de versterkingen
erop gericht de bevolking als geheel te beschermen en zij hadden in de
eerste plaats een functie als vluchtburcht. Na de Germaanse invallen
en de periode van stabilisatie van het Frankische rijk die erop volgde,
bleef het rustig op het vlak van het versterkingswezen. Naast enkele elementaire
omheiningen rond adelijke residenties hebben in het
Frankische rijk vooral de muren van de oude Romeinse steden enige bescherming
geboden.
En zelfs die werden nog vaak
verwaarloosd en zelfs gebruikt om stenen te winnen voor de bouw van meer
kerken en paleizen. Toen in de 9e eeuw de Noormannen onze streken binnenvielen,
beschikte het land omzeggens over geen enkel verdedigingssysteem. Men moet
zelfs wachten tot de
tweede helft van de 9e eeuw vooraleer er een reactie kwam van de overheid.
Er werden een reeks nieuwe versterkingen aangelegd, vooral langsheen de
kust en de waterlopen, die de voornaamste toegangswegen waren waarlangs
de Noormannen het land binnenvielen. Deze versterkingen hadden een dubbel
karakter, enerzijds dienden ze als vluchtplaats voor de her en der verspreide
bevolking, en anderzijds vormden ze de uitvalbasis voor een actieve verdediging.
De feodale opdeling van de territoria en de eruit voortvloeiende nieuwe
politieke en sociale hiërarchie, die een groot aantal adelijke families
aan de macht bracht, leidde er op zijn beurt toe dat deze families hun woningen
gingen versterken om in de eerste plaats zichzelf te beschermen. De rijke
adel bouwde haar versterkingen veelal op moeilijk te bereiken plaatsen zoals
heuvel- of bergtoppen en met duurzaam materiaal (stenen, rotsen en keien).
De lagere adel, meestal minder begoed en kapitaalkrachtig, zocht naar een
andere oplossing die bestond in de aanleg van aarden versterkingen. Binnen
de aarden versterkingen komt een type kasteel voor dat in onze streken alle
andere types ver overvleugelde, namelijk de "motte" .
Het woord komt van de Franse taal: "une motte" wat de betekenis
heeft van een "kluit"- (een aarden klont). Deze versterkingen ontstonden
ergens rond het jaar 1000 in de landstreken tussen Rijn en Loire. Waar en
wanneer precies de eerste motte werd aangeaard, blijft vooralsnog een vraagteken.
In de loop van de 11e en 12e eeuw veroverde deze bouwwijze Europa en tegen
de 13" eeuw vond men ze terug van de Atlantische kust tot Polen en van
Denemarken tot Italië.
In Engeland en Wales, waar circa zevenhonderd mottes bekend zijn, werd
ze na de slag bij Hastings (1066) een algemeen verschijnsel.
| (vroeg) Middeleeuwse kunstmatige heuvel, waarop veeal een verdedigingswerk was aangebracht. | |
|---|---|
![]() |
![]() |
![]() |
|---|
De "motte":
De motte is een geheel of gedeeltelijk kunstmatige aangeaarde heuvel, van
de rest van het omliggende terrein op natuurlijke en/of kunstmatige manier
gescheiden door een gracht. De aarde voor de heuvel werd meestal verkregen
door het uitgraven van de
omringende slotgracht rond het bouwwerk. Op de heuvel werd dan een verdedigingswerk
aangebracht dat verschillende vormen kon aannemen; o.a. een houten palisade,
een gekanteelde muur, een houten of stenen toren. De mottes waren rond
tot licht ovaal en hun afmetingen varieerden gemiddeld van twintig tot honderd
meter diameter en in hoogte tussen drie en twintig meter. Om van een mottekasteel
te kunnen spreken dient naast de motteheuvel zelf (d.w.z. naast het opperhof),
ook een al dan niet opgehoogd voor- of neerhof deel uit te maken van de
site. Het mottekasteel wordt door deze tweeledigheid bepaald.
![]() |
![]() |
![]() |
|---|
Het opperhof gevormd door de aarden heuvel in de vorm van een afgeknotte
kegel met daaromheen een gracht en daarboven op de
toren, vertegenwoordigd het adelijke, residentiële en militaire karakter
van de site. Het neerhof verzamelt die functies die de klemtoon leggen
op het dagelijks dominiale even. Meestal was het hoefijzervormig en sloot
het aan op de motte, wel gescheiden door de mottegracht. Zelf was het neerhof
veelal ook opgehoogd en tevens omgracht en beschemd door een wal en/of
alisade. Binnen de gesloten ruimte, aan de voet van de motte, bevonden
zich de stallen, schuren, voorraadkamers, ambachtelijke gebouwen en verblijfplaatsen
van de ondergeschikten, soms de eigenlijke woonplaats en de kapel van de
heer en zijn familie. Wat de eigenlijke terreinkeuze betreft, stelt men vast
dat de motteversterkingen van het laagland meestal in beekvalleien liggen
of op lage drassige waterrijke terreinen (oa. Motte Singelberg is hiervan
een voorbeeld); dit om enerzijds voor de watervoorziening te zorgen en anderzijds
om de ondergravingen van de site te vermijden.
De verdediging van een motte was doeltreffender dan men op het eerste gezicht
zou verwachten. De met doornstruiken begroeide zeer scherpe mottehelling (tot
45 graden) was voor een gewapende krijger haast onbeklimbaar en bovendien
gaf hij zich voortdurend aan de verdedigers bloot; de palisade was niet zomaar
te beklimmen en bovendien bood de donjon boven op de motteheuvel nog bescherming
aan de verdedigers. Om de motte in te nemen diende men ofwel de motte te belegeren
en de verdedigers uit te hongeren of wel de houten gebouwen in brand te steken.
Waarschijnlijk werden daarom de houten gebouwen en omheiningen geleidelijk
vervangen door stenen constructies. Wat de gebruikte bouwmaterialen aangaat,
was het zo dat in de beginfase van de mottenbouw de aarde en het hout de hoofdbestanddelen
vormden. Grond kon men ter plaatse delven en de adel kon hun onderdanen verplichten
gratis te helpen bij de bouw en het onderhoud van de versterking van hun heer.
Het grote succes van de motte was dat ze eenvoudig te bouwen was, eenvoudig
te verdedigen was, later gemakkelijk kon worden veranderd of aangepast en
bovendien goedkoop was. De werkelijke kostprijs voor de aanleg van een mottekasteel
is moeilijk te berekenen.Hetzelfe geldt voor de duur van de werkzaamheden.
Men heeft berekend dat een motte met een doormeter van dertig en een hoogte
van twaalf tot vijftien meter, omgeven door een gracht van vier meter breed
en drie meter diep, waarschijnlijk kon worden opgeworpen in een twintigtal
dagen door een honderdtal werklieden die acht uren per dag aan de slag waren.
Om een gemiddeld motteplateau met een diameter van citca dertig meter te omgeven
met een houten palissade vergde het ook acht tot tien dagen. In de loop va
de XIe en XIIIe eeuw kent men een logische evolutie in de bouw, vooral de
woontorens op het motteplateau. In de XIIIe eeuw verschijnen er nog de mottekastelen
van de lagere landadel, maar ze vormen veeleer een uitzondering dan de regel.
De uitbouw van de burchten rondom een stenen donjon, opgenomen in een omheining
en aangevuld met een aantal meer residentiële en nutsgebouwen ingeplant rond
een binnenkoer, verving definitief de kastelen uit aarde en hout. Vooral de
opkomst van de artillerie in de XIVe eeuw betekende het einde van de mottekastelen.
Situering:
De Singelberg is gelegen in de polderstreek, meer bepaald in de overgangszone
naar zandleemstreek. De site ligt in het oude getijdegebied van de Schelde,
dat met zijn moerassige bodem een ideaal verdedigingselement vormde in
de feodale periode. Men beweert dat men vanaf de mottetorens gans de
Scheldeloop van Antwerpen tot Zeeland kon overschouwen. Door zijn strategische
ligging aan de uithoek van het graafschap Vlaanderen bood het onmiddelijk
uitzicht op de Scheldebocht bij Antwerpen en op de stad
zelf. De site is verbonden met het centrum van de gemeente Beveren (kerk)
door een rechtlijnige verbinding van 2,6km
(de kasteeldreef overgaand in de Kasteelstraat). Deze dreef komt op alle
oude kaarten voor.
Volgens Sanderus: s het kaseel een van de oudste en vermaarste van Vlaanderen
met zijn boomgaarts, kruidentuin, opperhof, neerhof, wallen, en de singels
van over de 10 gemeten; heeft een mooie dreef die recht naar de parochiekerk
gaat van 700 roeden.
![]() |
|---|
Historiek:
Dankzij de opgravingen op initiatief van de Nationale Dienst voor Opgravingen
(campagnes van 1975 tot 1977) kunnen we met zekerheid vaststellen dat er
vanaf het opwerpen van de motte in het begin van de 12e eeuw tot de definitieve
afbraak van het kasteel in 1652 er vijf verschillende versterkingen hebben
bestaan.
De eerste versterking (begin 12e eeuw- 1158)
Men neemt aan dat de bouwer van de eerste motte op de Singelberg de eerste
heer van Beveren was, Diederik I (1120-1148).
De motte werd opgeworpen met materiaal ven de gedolven gracht. De eerste
heuvel had een hoogte van 6m. Het motteplateau mat vroeger 15m bij 15m
en was omgeven door een omheinig die de rand van het plateau volgde.
![]() |
|---|
De omheining bestond waarschijnlijk uit een muur uit Doornikse kalksteen
die tegen een houten palisade aanleunde. De diameter van de heuvel was vermoedelijk
ca. 40m. hoe breed en diep de omringende gracht was, was onmogelijk juist
te bepalen. Binnen de omheining bouwde men een toren (4,80m bij 3,5m) opgetrokken
in natuursteen en vakwerk. De bovenbouw was zeer zeker opgetrokken in leem-
en vakwerk. Het dak was zeer waarschijnlijk uit hout op plantaardige materialen
vervaardigd. Op ongeveer 30m van de motte werd een gracht gegraven, die een
vermoedelijk ovaal tot cirkelvormig site omgronde, het neerhof. Deze gracht
was 6m breed en 1m diep. De bij het graven van de gracht vrijgekomen grond
werd naar binnen geworpen, zodat achter de gracht een walvormige ophoging
ontstond, waarvan de hoogte 1m en de breedte aan de basis 8m moet geweest
zijn. Naar de motte toe waren gracht en wal onderbroken. Hoewel geen sporen
van constructies uit deze tijd werden gevonden, verondersteldt men dat er
op het voorhof enkele houten woonhuizen en stallen hebben gestaan. Vondsten
en lagen toonden duidelijke kenmerken van verwoesting door brand. Uit historische
bron weten we dat Jordaan van Beveren een verbond sloot met Floris III van
Holland en Zeeand, tegen graaf van Vlaanderen. Filips van den Elzas trok naar
Zeeland, versloeg Floris III en op de terugweg naar Vlaanderen brandde hij
in 1158 de versterking van Beveren plat.
De tweede periode:
Bewoningsperiode (1158 - begin 13e eeuw).
Toen Vlaanderen en Holland vrede sloten, kreeg de heer van Beveren in 1168
zijn heerlijkheid terug. Hij liet onmiddelijk de versterking herstellen. In
1193 komt Diederik II terug in opstand tegen de graaf. In 1194 moet hij uit
Beveren vluchten en bezet de graaf de burcht. In 1202 is Diederik in eer hersteld,
want hij gaat met Boudewijn IX mee op kruistocht naar Constantinopel. Op het
einde van de XIIe eeuw werd de noordelijke helft vergroot, zodat de oude toren
aan de zuidkant van het plateau kwam te liggen. De resten van de oude toren
werden uitgebroken en gerecupereerd. De nieuwbekomen motte zal groter geweest
zijn dan de actuele 20 m bij 30 m. In het zuidelijk deel van het plateau werd
tijdens de opgravingen een uitbraaksleuf over een lengte van 8m gevonden,
boven de plaats van de eerste toren, gevuld met elementen van een constructie
in natuursteen en enkele stukken bepleistering wat wijst op versierde muurwanden.
De niet al te dikke muren (80cm) zullen wel geen zware constructie hebben
kunnen dragen. Hoe groot dit gebouw was, kon niet worden achterhaald. Tijdens
deze periode werden geen ingrijpende wijzigingen aangebracht in het neerhof.
Wel zijn er aanduidingen dat de gracht droog stond en geruime tijd als stortplaats
werd gebruikt.
De derde fase:
De zware centrale verdedigingstoren (begin 13e eeuw - begin 14e eeuw).
In de loop van de XIIIe eeuw werd een massieve woontoren of donjon met
een oppervlakte van 15m bij 14 m gebouwd. De basis bestond uit Doornikse kalksteen.
Bij de bovenbouw kunnen kloostemeffen zijn gebruikt.
![]() |
![]() |
|---|
Aanvankelijk werd de binnenruimte bevloerd met tegels, die later door bakstenen, gelegd in visgraatmotief, werden vervangen. De buitenmuren waren 1,30m breed, uit gelijkmatig bekapte kalksteenbrokken opgetrokken. Op de vier hoeken waren steunberen aanwezig. Tegen de noordelijke muur waren twee bijkomende steunberen geplaatst omdat deze op recent aangevoerde grond stond en hierdoor meer stevigheid moest bekomen. Over de hoogte, aantal verdiepingen en soort bedaking van de donjon zijn er geen gegevens. Men moet er wel van uitgaan dat de motte door een omheining omgeven was. Bij de veranderingswerken met de bouw van van het donjon werd ook het neerhof betrokken. Het geheel werd vergroot, volledig genivelleerd en door een nieuwe gracht omringd. Het neerhof kwam zodoende dichter bij de motte te liggen; een houten brug vormde de verbinding tussen beide delen van de site. Bij opgravingen werden stenen constructies gevonden behorend tot een ronde waterput met een diameter van 2m en een gebouw.
De vierde en vijfde periode:
Evolutie van versterking naar residentie (begin 16e eeuw -1652).
In 1312 wordt de motte Singelberg verkocht aan Lodewijk van Nevers, graaf
van Vlaanderen en zal voortaan door een kastelein worden beheerd. Uit verschillende
rekeningen van de rekenkamer blijkt dat er in de periode rond 1400 belangerijke
werkzaamheden te hebben plaatsgehad. In de XVe eeuw is het in handen van enkele
bastaarden van Bourgondie en vermoedelijk is het tijdens die periode dat de
militaire vesterking een kasteel met residentieel karakter werd. Deze overgang
kunnen we afleiden uit iconografische bronnen.
-Vooreerst een afbeelding van 1468. We vinden geen centrale toren meer
terug, wel een vierkant toegangscomplex, enkele minder hoge en functionelere
woonruimten in het zuidelijk deel van de motte en tenslotte een noordwestelijke
hoektoren.
Figuratieve kaart van
de Schelde (1468) |
Naar een XVIe eeuwse beschrijving |
|---|---|
![]() |
![]() |
-Een tweede afbeelding is afkomstig van een XVIe eeuwse beschrijvng van de
heerlijkheid Beveren. Ook hier vinden we de toegangstoren, de gebouwen in
het zuidelijk deel van de motte en de noordwestelijke hoektoren terug. Bij
de stormvloed en dijkbreuk van 8 februari 1526 stortte de noordelijke vleugel
van het kasteel in.
-Een derde afbeelding stamt uit 1602. De gebouwen aan de zuidkant van de
motte zijn hierop niet meer te zien. Het is moeilijk juist te bepalen wanneer
de donjon werd opgegeven. Volgens iconografische bronnen is dit voor 1648
gebeurd; volgens historische gegevens zou dit al rond 1400 hebben plaats gehad.
In elk geval weten we dat er op de plaats van de donjon een binnenkoer onstond
en dat enkele bakstenen gebouwen, opgetrokken in de zuidelijke helft van de
motte, decentrale toren vervingen. Uit de iconografie blijkt ook dat het mottekasteel
definitief tot een waterburcht werd omgebouwd.
We hebben ook nog een waardevolle beschrijving van Dionisius De Harduyn
in 1574:
Dit kasteel is gelegen in het vlakke veld, midden een watergordel; het
is over een 350 jaar, naar men zegt door Machtheld van Lotrijk, gebouwd en
telt talrijke gebouwen en kamers, ruim voldoende tot de huisvesting van een
grote heer. In dit kasteel stierf Adolf van Bourgondië, heer van Beveren.
Het hoogste gebouw van het kasteel is een soort toren, waarop men, even voor
de top, nog zou kunnen paardrijden; zulk een toren vind men ook in het koninklijk
verblijf, het kasteel van Amboise op de Loire. Aan het kasteel palen grote
visvijvers en prachtige hovingen.
Daer is van de poorte van het Casteel van Beveren tot de kercke een dreve
van eeken boomen, met drij reken boomen recht gelijck een keersse, de welcken
men segt een gemeten halve mijle lang te sijn, en is een van de schoonste
dreven van geheel Vlaanderen.
Boven de grote zaal is er een ruime kamer met een warmstove; daar hangen
verscheidene oude geschilderde portretten, waarvan een het onderschrift
draagt: Petrus Barbeck, zoon van een barbier van Doornijk, die zich deed doorgaan
voor een afstammeling van de koning van Engeland Edward IV, en op bevel
van de beroemde koning Hendrik VI, te Londen onthoofd werd.
![]() |
![]() |
|---|
Het einde van het Singelbergkasteel 1652:
In het midden van de XVIIe eeuw was het kasteel sterk vervallen. Het was
vermoedelijk sinds het beleg van Antwerpen in 1584, toen het gebruikt werd
als hoofdkwartier van de Spaanse veldheer Farnese, niet meer in volle activiteit
gebruikt geworden. De bruikbaarheid van zowel versterking als residentie
was verdwenen. De rentabiliteit van de site, gelegen ussen de vruchtbare
poldergronden, lag dan ook meer op agrarisch vlak. De eigenaar, de hertog
van Arenberg, besliste dan ook in 1652 het kasteel te laten verdwijnen.
Delen van de kerken van Kallo, Verrebroek en beveren werden met afbraakmateriaal
opgericht . In de XVIIIe eeuw droeg de site al zijn huidige naam van Singelberg.
De site is beschermd door een K.B. van 22-10-1975.
















