![]()
Het type dat in onze streek het meest voorkwam, was het kapelachtig gebouwtje dat in de lochting of in de nabijheid van het toegangshek der hoeve was ingeplant. In ieder geval, ver genoeg van het woonhuis verwijderd.
Want het brandgevaar, dat door het heetstoken van de oven ontstond, was niet enkel denkbeeldig. Eeuwen geleden werden dan ook reeds onderrichtingen uitgevaardigd bij middel van "keuren".
De bakkende bevolking moest die strikt naleven. Zo werd o.m. de minimum afstand bepaald tussen woon- en bakhuis. Het dak boven "de oven" moest uit niet brandbaar materiaal vervaardigd zijn.
En in het bakhuis zelf mocht tijdens het heetstoken van de oven, niets opgehangen worden om te drogen.
En op de koop toe: de schepenen stelden "cuermeesters" aan die regelmatig de ovens controleerden op hun veilige werking. Dat ze streng optraden hoeft geen betoog: wat niet meer voldeed aan de gestelde normen werd eenvoudig stukgeslagen.
![]() |
Over het algemeen waren "de ovens" niet zo groot. Een ruimte van 2 op 3 m lijkt ons al het maximum in onze streek.
Als we over "den oven" spreken dan bedoelen we in feite het hele gebouw. Bakhuis en oven lagen immers in elkaars verlengenis aangebouwd.
Met een zadeldak boven het eerste en een dito, maar lager dak boven de tweede ruimte. De dakbedekking bestond uit, "Boomse pannen", waarvan de buitenste rijen, evenals de "vorst" met kalk in het wit "gestreken" waren. In de voorgevel vonden we in de ene helft de ingangsdeur die steevast te laag uitviel. Zodat men zich moest bukken bij het binnentreden om te vermijden dat men zich het hoofd stootte tegen de "lento". In de andere helft was een klein kruisvenster ingebouwd. In het bakhuis zelf keek men recht op het plaatijzeren "ovenscheel", dat ingemetseld was in het midden van de achterste muur. De vloer die uit "gestampte" aarde bestond, lag ongeveer 15 cm lager dan de "durpel". In de linkergevel bevond zich, laag tegen de grond, een "tablette" in blauwe vloertegels.
![]() |
![]() |
![]() |
Rechts, tegen de "blinde muur", hing boven een afgedankt "herbergtafeltje ",
een grote, houten "konzolle", bestaande uit drie brede legplanken.
Daarop bevonden zich alle mogelijke formaten van "potjes en pannekens" samen
me een allegaartje van klein alaam. Evenals halfgevulde zakjes en blikken dozen
met resten van verfpoeder, "potjes" met "resten" lijnolie
en de onvermijdelijke pot met water waarin tevergeefs enkele verharde verfborstels
te weken stonden. Sommige doosjes waren gevuld met krammen en rechte spijkers.
Andere met roestige krammen en gesmede haken. Een uitgediende stenen boterpot
bevatte de "vijzen" om bij gladde wegen de paarden "scherp" te
zetten. Trektangen, hamers, stukken wetsteen alsook "'t goard" lagen
er broederlijk door en over elkaar verspreid. Men moest niet verwonderd zijn
er een aantal buiten omloop geplaatste muntstukken zoals koperen "censen" en
franse "sous" terug te vinden. Dit naast om een of andere reden
verloren geraakte schapulierkens, meegebracht van een der vele beewegen. Achter
de deur stond de "ovenroe" en de "poal" rechtop naast
een aantal "pensen" en een zak gevuld met lemen. In de linkerhoek,
tegen de voorgevel aan, stond het "forneis" ingemetseld waarin de
aardappelen werden gaar gestoomd om "bras" te maken. Twee "gebiesterde" stoelen
met afgezaagde poten voltooiden het interieur. Buiten, tegen de muur, stonden
enkele vlierstruiken aangeplant. Het uiteinde van de laagste daknok was begroeid
met "donderbloaren" of huislook die binnen handbereik lagen. Deze
brachten bescherming tegen blikseminslag en spoken. De bladeren zelf waren
een veel gebruikt middel in de volksgeneeskunde.
Met deze beschrijving kan men een beetje de sfeer opsnuiven hoe het vroeger
in en rond de "oven" was. Enkele decennia geleden begon ook zijn
verval. Zodat spoedig de totale afbraak van vele bakhuizen en ovens volgde.
Een na een, op een paar uitzonderingen na, verdwenen aldus deze pittoreske gebouwtjes
uit het Vlaamse landschap.
Met dank aan Marcel Pieters



