Nijverheid:
- Algemeen...
- Vlasnijverheid...
- Blokmakers...
- Linnennijverheid...
- Kantnijverheid...
- Wijmenbewerking...
- Visserij...
- Vogelvangst...
- Vellenbewerking...
Erfgoed:
- De polders...
- Gebinten...
- Hoevetypen...
- Schuurtypen...
- Het erf...
- Kloosterarchitectuur...
- Over boerderijen...
- Gerief en alaam...
- Volksgebruiken...
- Het bouwbedrijf...
Dat het woord brood altijd al een belangerijke rol heeft gespeeld in het
leven van ons volk zien we in de vele verbindingen en zegswijzen met dit woord
die in onze taal al lang zijn ingeburgerd. Er worden er van de oneindige reeks
enkele van genoemd.
In verscheidene zegswijzen wordt brood als het gewone,
dagelijkse voedsel beschouwd.
Zo zegt men " bij gebrek aan brood eet men korstjes van pasteien": wanneer iemand het gewone niet kan krijgen, gebruikt hij wel iets dat eigenlijk veel te duur is; oorspronkelijk dacht men echter aan "deegkorstjes" die bij het bakken tegen het brood gelegd werden om het aanbranden ervan tegen te gaan. De zegswijze betekende aanvankelijk dat men met iets minder goeds moest behelpen maar ze kreeg een andere betekenis toen men vooral aan de "pasteien" als iets lekkers opvatte. De uitdrukking "iemand iets op zijn brood geven" betekent eigenlijk: iemand (bij het brood) iets te slikken geven dat niet lekker is, en vandaar iemand iets verwijten.
"Zoete broodjes bakken" is weer wat anders: iets lekkers klaarmaken
om iemand goed te stemmen, en vandaar lief en inschikkelijk doen om iets goed
te maken bij iemand die men eerst ontstemd heeft.
In plaats van "zoete" zegt men in Vlaanderen "platte broodjes",
waarbij "plat" evenals in "plattekaas" de betekenis heeft
van "zacht, week": met "zachte" bedoelt men hier ook "lekkere" broodjes.
Wanneer iets "erin gaat als gesneden brood", is het zeker gewild,
gaat het vlot van de hand (eigenlijk: wordt het met graagte gegeten) en dan
ook: dat hoort men graag, daar luistert men met aandacht naar.
"Het is gesneden brood" betekent ook: alles is voor hem klaargemaakt,
hij hoeft er zelfs niets meer voor te doen. Brood wordt als hoofdvoedsel beschouwd
in de volgende zegswijzen: "zich de kaas niet van het brood laten eten",
zich niet laten ontnemen waar men recht op heeft of goed van zich afbijten,
van zich afslaan, en "iemand op zijn brood geven", hem iets verwijten,
met als tegenhanger "iets op zijn brood krijgen", iets als verwijt
te horen krijgen. Het gezegde "van brood alleen kan de mens niet leven" komt
uit het evangelie (Matteüs 4.4) en wordt gewoonlijk gebruikt om te zeggen
dat de mens niet alleen aan voedsel behoefte heeft, maar ook aan zedelijke
verheffing, ontwikkeling en ontspanning. In verscheidene samenstellingen duidt
brood het noodzakelijke levensonderhoud aan. Zo betekent "broodnodig" onmisbaar
als brood, dit is allernoodzakelijkst, "broodwinner kostwinner",
degene die het levensonderhoud verdient, "broodroven" iemand zijn
betrekking of inkomsten doen verliezen of ontnemen, "broodnijd" afgunst
op een voorspoedige collega of concurrent en het verouderde woord "broodheer" werkgever.
Brood heeft in een aantal zegswijzen ook de betekenis van broodwinning, kost,
levensonderhoud o.a. "iets doen om den brode", het doen omdat men
ervan leven moet, niet uit overtuiging, "brood op de plank hebben",
een goede broodwinning hebben, zich kunnen redden, "brood zien in iets",
er goede verdiensten van verwachten, "geen brood zien in iets",
er geen heil in zien, er niets van moeten hebben, "de een zijn dood is
de andere zijn brood", de een zijn ongeluk is de andere zijn geluk, en "wiens
brood men eet, diens woord men spreekt", men praat met de mond van degene
van wie men voor zijn onderhoud afhankelijk is of bij wie men in dienst is.
In deze en andere gezegden hebben onze voorouders uitgedrukt dat ze "brood " zo
nodig hadden "als brood" d.w.z. dat het voor hun onmisbaar was om
in leven te blijven.
Aan de graan- en broodsoort kent men het land: rogge in de zandstreek,
tarwe op de klei- en poldergronden.
Er is een tijd geweest, dat in de Antwerpese en Limburgse Kempen uitsluitend
roggebrood werd gegeten. En toen de stedelingen reeds lang tarwebrood aten,
gebruikten de boeren nog altijd roggebrood. Voorheen werd het als een schande
of als een teken van snoepzucht beschouwd wit brood te eten. Ging een vrouw
in de bakkerswinkel een wit tarwebrood halen, dan verborg zij het zorgvuldig
onder haar voorschoot, opdat de buren het niet zouden gemerkt hebben. Wit
brood was uitsluitend voor zieke mensen bestemd. Enkel bij feestelijke gelegenheden
verscheen er wit brood op tafel. Dit werd als een lekkernij aangezien en ieder
der huisgenoten kreeg er zijn deel van. Ofschoon roggebrood, door de grote
invoer van vreemde tarwe, thans meestal door wittebrood vervangen is, toch
wordt in de Kempen, onder de boerenstand, nog veel roggebrood gegeten. Men
vindt boeren die geen tarwebrood lusten en nog uitsluitend zwart brood eten,
gelijk hun ouders en voorouders deden. Wit brood, zeggen zij, dat is schuim;
het vult de buik niet, en ge kunt er niet op werken. Is het omdat er na de
bruiloft nog wit brood overbleef, dat aan de pasgehuwden werd meegegeven,
dat men spreekt van "wittebroodsweken" in tegenstelling tot de gewone "zwartebroodsjaren".